NESTKAST TIPS VAN NICO
05-11-2010 - Met besdragende struiken en water kun je je tuin aantrekkelijker maken voor vogels maar als je wilt dat er ook in het voorjaar, in het broedseizoen, vogels in je tuin wonen, dan hebben sommige soorten extra hulp nodig. Merels, vinken en vele andere vogels bouwen zelf een nest in de boom maar er zijn ruim twintig vogelsoorten die in holen broeden. In het bos zijn die holen vaak oude spechtengaten of ingerotte oude holle bomen. In de meeste achtertuinen worden bomen niet zo oud en groot omdat ze dan teveel zon wegnemen. We kunnen de holle bomen nabootsen met nestkasten.
De nestkast is al vrij oud in de vorm van de spreeuwenpot. Die werd met een heel speciale bedoeling opgehangen. Als de jonge spreeuwen bijna uitvlogen werden ze eruit gehaald en….. gingen ze de pan in!
De mezenkast is begin vorige eeuw “uitgevonden” Een paar Duitse houtvesters hadden zo’n last van allerlei insecten en keverplagen in hun bos dat ze uitgeholde boomstammen met een deksel en invlieggat ophingen om zo de vogels, die de plagen moesten bestrijden, naar hun bos te lokken. De eerste biologische dynamische bestrijdingsmethode.
Een nestkast is dus niets anders dan een oude bomenholte nabouwen en die hoeven gelukkig niet rond te zijn. De vogels bouwen zelf een nest in de kast. Dat is rond en daar leggen ze de eieren in. Belangrijk is dat de ruimte groot genoeg is om een nest in te kunnen bouwen en om straks vijf of soms wel meer dan tien jongen in te laten opgroeien.
Het is ook belangrijk goed materiaal te gebruiken. Hout is goed materiaal want dat ademt. Als de jongen op een hete zomerdag veel vocht verdampen dan moet dat niet in de vorm van condens op de bodem terechtkomen want dan worden ze nat, koud en gaan ze dood. Plastic is dus ongeschikt als materiaal.
Je weet nooit precies welke vogels in je nestkast komen, want in de meeste kasten kunnen verschillende vogels gaan wonen. De grootte van de entree, het invlieggat, is daarbij het belangrijkste. Koolmezen, de algemeenste holenbroeders van onze achtertuin, hebben een invlieggat nodig van 32 mm. Maar ringmussen en bonte vliegenvangers zijn daar ook gelukkig mee. Belangrijk is of het invlieggat hoog genoeg zit. De vogels moeten niet zomaar vanaf het nest naar buiten kunnen kijken. Een diepte van enkele decimeters zorgt er voor dat de jongen buiten bereik blijven van gretige kattenpootjes.
Nico de Haan: Bekende vogelkenner, natuurliefhebber en ambassadeur van Vogelbescherming Nederland.
|